Wonen op kosten van de vennootschap… Soms wel, soms niet | Stremersch Accountancy
‘Kot te huur’. Met of zonder btw?
20 januari 2022
Aanslag geheime commissielonen verder teruggedrongen
25 januari 2022

Wonen op kosten van de vennootschap… Soms wel, soms niet

De rechtspraak is niet eenduidig: als een vennootschap een woning in eigendom heeft, en deze woning enkel of vooral dient voor de huisvesting van de zaakvoerder, zijn de kosten verbonden aan die woning dan aftrekbaar? De rechtbank van Gent vond onlangs van niet, maar het hof van beroep van Gent vond op bijna hetzelfde moment van wel.

De Gentse rechtbank over niet één, maar twee woningen

Een man en een vrouw hebben een vennootschap, die zij zelf omschrijven als een
vastgoedvennootschap. De vennootschap kwam tot stand na enkele fusies en had in
de portefeuille een handelspand, een appartement in Knokke-Heist en een woning
in Grembergen. In oktober 2014 verplaatst het koppel zijn domicilie van de
woning in Grembergen, naar het appartement in Knokke-Heist, samen met de
maatschappelijke zetel van de vennootschap. In maart 2015 wordt de woning in
Grembergen vernietigd door een brand. De schadevergoeding levert een meerwaarde
op. De vennootschap wil die tijdelijk vrijstellen. Dat kan als de vergoeding
wederbelegd worden.

In 2017 krijgt de vennootschap een grondige controle over de aanslagjaren 2015
en 2016. Daarbij stelt de fiscus vast dat de onroerende goederen die aan de
zaakvoerder ter beschikking worden gesteld, niet in het kader van de
activiteiten werden aangewend. De kosten in verband met de woningen zijn dus
niet aftrekbaar. De meerwaarde op de woning in Grembergen kan bovendien niet
worden vrijgesteld omdat niet voldaan is aan de eerste voorwaarde voor die
vrijstelling – dat is dat het goed gebruikt moet worden voor de
beroepswerkzaamheid van de vennootschap. De meerwaarde is dus integraal
belastbaar.

De Gentse rechter trekt meteen de kwalificatie van ‘vastgoedvennootschap’ in
twijfel.
Er kan niet ontkend worden dat er onroerende goederen in de
vennootschap zitten, maar de rechtbank lijkt de vennootschap toch eerder als een
patrimoniumvennootschap te beschouwen (dus als een vennootschap voor het beheer
van het eigen vermogen), in plaats van als een vastgoedvennootschap (dat is een
vennootschap die handelt in onroerende goederen). 

De rechtbank concludeert dat het feit dat de vennootschap geregistreerd staat
als een vastgoedvennootschap, nog niet betekent dat de kosten van de twee
onroerende goederen bij wijze van automatisme als aftrekbare beroepskosten
moeten worden beschouwd.

Het koppel bevestigt dat ze de woningen zelf gebruikt, maar het is de bedoeling
om ze op termijn te verkopen en dan zouden ze een meerwaarde opleveren. 

Maar zo’n theoretische overweging overtuigt de rechtbank niet: het feit dat de
gebouwen ooit een meerwaarde zullen opleveren, wordt niet afdoende aangetoond.
En zelfs als ze een meerwaarde zouden opleveren, dan is op vandaag niet voldaan
aan de voorwaarde voor de aftrekbaarheid, vermits de meerwaarde vandaag geen
vaststaand gegeven is.

Wat dan met de bezoldigingstheorie?
Volgens die theorie kan een vennootschap
de kosten om een voordeel van alle aard toe te kennen aan haar bestuurder uit
hoofde van het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid binnen die vennootschap,
kwalificeren als aftrekbare beroepskosten.
Dat is hier ook effectief het
geval: de zaakvoerder geniet een belastbaar voordeel via de gratis
woonst.

Wat bleek echter? De zaakvoerder betaalde een eigen bijdrage voor de woning. Die
eigen bijdrage werd geboekt op het debet van zijn rekening-courant. De bijdrage
kwam exact overeen met het bedrag van het voordeel, waardoor de zaakvoerder in
de praktijk geen belasting moest betalen.

Volgens de rechtbank leidt de fiscus daaruit terecht af dat de voordelen niet
als een bezoldiging kunnen worden beschouwd, vermits het equivalent van het
voordeel volledig werd geboekt en de zaakvoerder dit voordeel dus dient terug te
betalen.
De bezoldigingstheorie is dus niet van toepassing.

Het hof van beroep over een villa met zwembad

De zaak voor het Gentse Hof van Beroep betrof een villa met zwembad en
poolhouse, in handen van een managementvennootschap. De vennootschap gebruikte
het gebouw zelf voor 20%. De rest van de tijd werd het gebouw ter beschikking
gesteld van de bedrijfsleider, die op het voordeel belastingen betaalde.

De vennootschap beroept zich op de hogervermelde bezoldigingstheorie om de
kosten verbonden aan de woning voor 100% in aftrek te brengen.

De fiscus verwerpt de aftrek en argumenteert dat de terbeschikkingstelling niet
bedoeld is om de bedrijfsleider te vergoeden voor zijn prestaties in de
vennootschap. De bedrijfsleider ontving ook een vergoeding in geld en in het
contract werd nergens melding gemaakt van de woning als vergoeding voor
prestaties. Maar de bedrijfsleider verwijst naar de notulen van de algemene
vergadering waarin wel uitdrukkelijk vermeld wordt dat de zaakvoerder als
bezoldiging voor de uitoefening van zijn mandaat zowel een periodiek loon in
speciën krijgt, als voordelen in natura m.b.t. het privégebruik van de
woning.

De fiscus wijst ook nog op de disproportionaliteit tussen het bedrag van het
belastbare voordeel en het bedrag van de kosten. Maar dat argument wordt zelden
of nooit aanvaard: dat het belastbaar voordeel veel kleiner is dan de werkelijke
waarde van het voordeel heeft te maken met de forfaitaire waardering die wordt
opgelegd door de fiscus zelf.

Ten slotte verwerpt het Hof ook het argument dat de werkelijke waarde van het
voordeel bijzonder groot
is. Dat is een opportuniteitsoordeel. Het Hof stelt
vast dat er slechts één zaakvoerder en aandeelhouder is. Geen personeel. De
vennootschap heeft dankzij die zaakvoerder een aanzienlijk inkomen en een
vennootschap mag een aanzienlijk loon toekennen aan haar bedrijfsleider. 

Het verschil ?

Het arrest van het Gentse Hof van Beroep toont aan dat een woning in een
vennootschap – met alle fiscale voordelen daarvan – nog wel kan. Het vonnis van
de Gentse rechtbank toont dan weer aan dat het altijd een dubbeltje op zijn kant
is.

Het voornaamste verschil tussen beide rechtszaken lijkt te liggen in de vraag in
welke mate de gratis woonst een alternatieve bezoldiging is. Er moet sprake zijn
van een reden voor de vergoeding. Dat lijkt in het arrest van het Hof het geval
te zijn, in het vonnis van de rechtbank is dat veel minder zo. Maar feit is dat
wie het onderste uit de kan wil halen, weerstand zal krijgen van de fiscus. En
dan kan het lang duren…

Maak een afspraak